Het nieuwe wonen: van 1901 tot 2017.

‘Ieder huis bestaat uit vertrekken,’ rapte de Rotterdamse artiest Marco Martens eens. Hoewel Martens meer over persoonlijke en gemeenschappelijke tekortkomingen spreekt, heeft zijn frase ook een belangrijk punt over onze wonende samenleving te zeggen. Wonen doen we namelijk samen, en aangezien we niet voor iedereen een nieuwe woning kunnen bouwen, zal de één zo nu en dan moeten vertrekken om een thuis voor een ander vrij te maken. We hebben het hier uiteraard over toegang en doorstroom: twee van de grootste problemen waar de woonsector momenteel te maken mee heeft.

Het voornaamste probleem met de toegang tot woningen is een tekort aan sociale huurwoningen. Dat probleem vloeit voort uit een moeizame doorstroom: het gat tussen sociale huur en de vrije sector is voor veel mensen te groot om overheen te stappen. Iedereen kent inmiddels de verhalen over enorme wachtlijsten (in Amsterdam is die bijvoorbeeld gemiddeld 11 jaar), maar wat wij liever zouden horen zijn de verhalen over oplossingen. Dat verhaal vind je hier (nog) niet. In dit stuk doen we een poging om in globale lijnen het nieuwe wonen dat begon in 1901 te verbinden met het nieuwe wonen anno 2017. De vraag die centraal staat is dus: hoe zijn we hier beland? En de vraag die we daarna met z’n allen kunnen stellen is: waar willen we over tien jaar belanden en hoe krijgen we dat voor elkaar?

4111 Nood en honger in Drentse venen 1922

Het jaartal 1901 is haast synoniem geworden aan de woningwet die in dat jaar doorgevoerd werd. Deze nieuwe regelgeving reageerde op de bijna onhoudbare woonomstandigheden in de grote steden en maakte kapitaal van de overheid toegankelijk voor woningbouwverenigingen. ‘Langzamerhand,’ zo leest de rechtvaardiging van de wet, ‘was het bewustzijn levendig geworden, dat geen volksbelang meer behartiging dan dat der huisvesting.’ Het ging hier nadrukkelijk om het belang van ‘volkshuisvesting.’ Verenigingen mochten dus bouwen voor ieder segment van de bevolking, niet alleen de verpauperde arbeidersklasse. Die variatie in type woningen en doelgroepen zou onder andere de doorstroom kunnen faciliteren.

Hoewel de wet weldegelijk revolutionair was, was zij niet per se een radicale breuk met de liberale tendensen die de afgelopen vijftig jaar in de Nederlandse politiek dominant waren geweest. De woningwet maakte de Nederlandse Staat immers niet direct verantwoordelijk voor de nieuwe sociale woningbouw zoals dat bijvoorbeeld in Engeland geregeld was. Het plan werd dan ook door de liberale kamerleden geaccepteerd omdat de woningbouwverenigingen als tussenpersoon functioneerden en de macht van de Staat zo niet exponentieel toenam. Daar kwam pas verandering in na de Tweede Wereldoorlog toen Nederland middenin de wederopbouw stond en de toenemende woningnood tot ‘volksvijand nummer één verklaard werd.

Mei 1979. Sloop oude wijk Heilust

De jaren voor de oorlog waren er in Nederland weinig woningen bijgebouwd en in de oorlogsjaren zelf kwam dat al helemaal stil te liggen. Veel huizen werden zelfs verwoest in het geweld van de Tweede Wereldoorlog. De woningnood die volgde werd versterkt door de enorme geboortegolf en zo’n 300.000 repatrianten uit Nederlands-Indië. Mensen moesten veelal intrekken bij familie of blijven wonen in onbewoonbaar verklaarde panden. Aangezien de landelijke regering de meeste energie de eerste tien tot vijftien jaar stak in de heropbouw van de industrie en infrastructuur, was het aan de gemeenten om de woningnood op te lossen. Daarvoor waren de meesten gedwongen om geld te lenen van de eigen burgers om zo de bouw van nieuwe woningen te financieren. Pas tegen de jaren zestig begon de landelijke overheid zich echt in het probleem vast te bijten en werd de woningnood tot staatsvijand nummer één verklaard.

De regering haakt dan op de crisis in door, met de woningbouwverenigingen als tussenpersonen, een enorme hoeveelheid nieuwe woningen te bouwen. In 1962 wordt dan ook de miljoenste naoorlogse woning geopend. Hoewel dat verhitte bouwen een barre noodzaak was om aan de vraag te voldoen, had het ook averechtse effecten op de markt. Naarmate er meer en meer moderne woningen in Nederland kwamen, lieten de mensen in de meest armzalige krotten steeds meer van zich horen. Zo creëerde deze bouwzucht veelal nog meer vraag naar nieuwe woningen en werden oude verpauperde wijken door heel Nederland gesloopt. Belangrijk om te onthouden over deze periode in dat de inkomensongelijkheid minder groot was in Nederland en er minder sprake was van grote buitenlandse investeringen. De woningnood uit de jaren ’50 en ’60 werd dus door iedereen gevoeld; ook door de huishoudens met wat meer inkomen aangezien zij soms door de regering verplicht werden onderdak te bieden aan de meest urgente gevallen van woningzoekenden.

 

Anno 2017 horen we, vooral in de Randstad, langzaam maar zeker steeds vaker weer de term ‘woningnood’ vallen. Die leek in de jaren tachtig van de vorige eeuw toch echt geschiedenis te zijn geworden. Om die reden liet de regering in het decennium daarna de teugels weer flink vieren. De tijd van crisis was voorbij en daarom moest de vrije markt het stokje overnemen. Een direct argument daarvoor was dat de woningbouw de regering ieder jaar klauwen met geld kostte. De woningbouwcorporaties moesten vanaf dat moment maatschappelijke ondernemingen worden. Ze hoefden niet langer van te voren hun plannen bij de overheid neer te leggen, maar werden pas achteraf getoetst. Daarnaast werden ze niet langer flink gesubsidieerd door de overheid. Ze moesten het stokje nu zelf overnemen.

De liberalisatie was goed voor de woningmarkt, maar problematisch voor veel mensen die daarin woonden. De focus kwam te liggen op financiële winst boeken terwijl de sociale taken van de corporaties uit het oog werden verloren. De liberalisatie ontketende een lawine van kritiek op de corporaties, maar tegelijkertijd begon men, na het falen van dit project, te twijfelen aan de haalbaarheid van de woningwet zoals die in 1901 is opgesteld. Was het überhaupt wel mogelijk om volkshuisvesting voor iedereen te faciliteren? Of moest men zich alleen nog maar op de armere segmenten van de Nederlandse bevolking gaan richten?

 

Voordat deze nieuwe vragen goed beantwoord konden worden, brak de financiële crisis in 2008 uit. De woningbubbel barstte en de prijzen op de markt gingen drastisch omlaag. Het beleid dat tot vandaag de dag in Nederland gevoerd wordt met betrekking tot de woningmarkt is voor een groot deel nog een reactie daarop. In de jaren die op 2008 volgde is er aandacht geweest voor zowel de financiële markt als de sociale taken van de woningbouwverenigingen. Die laatste waren de voorgaande jaren zo erg laten liggen dat er in 2013 een parlementaire enquête naar de misstanden bij de corporaties af werd genomen. De directe conclusie: het morele kompas is zoek. We zien dan ook de laatste jaren dat de morele taken van de woningbouwcorporaties weer boven komen drijven.

Aan de andere kant van het spectrum moest de woningmarkt na de crisis ook weer overeind geholpen worden. Minister Piet Hein Donner betoogde in zijn Woonvisie in 2011 voor kleiner overheidsingrijpen om zo de markt onbelemmerd haar werk te laten doen. In de jaren sinds lijkt de woningmarkt er inderdaad weer bovenop gekomen te zijn. In Amsterdam spreekt men zelfs van ‘gekte.’ Het was voor Stef Blok, de minister van Rutte-II die zich bezig hield met de Nederlandse woonvraag, reden genoeg om bij zijn aftreden te stellen dat het woningbeleid in Nederland ‘af is.’ Met de woningmarkt gaat het inmiddels goed dus, maar hoe zit het met dat morele kompas?

 

In 2011 werden nieuwe afspraken gemaakt omtrent de sociale huur. Vanaf dat moment zou het niet meer om volkshuisvesting gaan, zoals de woningwet van 1901 had beschreven, maar werd de sociale huur alleen nog maar voor de allerarmste in Nederland. Momenteel mag je niet meer dan 36.000 euro verdienen wil je in de sociale huur wonen. Corporaties die ondanks de liberalisatie nog wel leningen krijgen die door de overheid geborgd worden, moeten de huizenmarkt niet te veel in de weg zitten; dat is immers oneerlijke concurrentie. Doordat sindsdien de huizenprijzen enorm zijn gestegen, is er echter een gat ontstaan tussen de sociale huur en de vrije sector. De stap van 710 euro, de maximale huur van een sociale woning, naar een vrije sector woning waar men veelal vier maal de huur moet verdienen is te groot. Daarbij komt dat woningen van onder de 1100 euro op het moment schaars zijn in de hoofdstad van Nederland. Dat het goed gaat met de Nederlandse woningmarkt, betekent blijkbaar niet per se dat het goed gaat met de gemiddelde Nederlander.

 

 

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s